Yord
Yord
Yord Literatuur
Boekverslag maken? Informatie nodig voor je literatuurdossier? Yord biedt alles wat je wil weten over literatuur. Talloze recensies, informatie over dichters, schrijvers, poëzie en proza. Zoek op auteur of in een van de dossiers.
 
 
 
Zoeken op auteur
 
Dossiers
 
 
 
arrowYord literatuur
Literair lexicon

Literaire teksten

Links

Zoeken
Literatuur inzicht
 

Redacteur: Wim Dekker

Zwijgen

Bij Louis Couperus (1863-1923), Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan (1906)

 'Het noodlot in de niet-historische romans van Couperus', zo luidde de titel van mijn specialisatie voor het mondeling examen Nederlands op de middelbare school. Als zeventien- en achttienjarige scholier verslond ik zijn 'Haagsche' romans. Geheel onzinnig was dat thema niet. Het noodlotsthema ligt er in de meeste romans duimendik bovenop. Couperus' romans worden bevolkt door mannen en vrouwen die niet doen wat zij willen. Het burgerlijke Haagse milieu waartoe zij, behalve in De stille kracht, behoren, beteugelt weliswaar de razernij van het driftige bloed, maar is tegelijkertijd de aanjager van het woest kloppende hart. Minutieus brengt Louis Couperus in kaart hoe mensen heen en weer geslingerd worden tussen begeerte en rationele of burgerlijke zelfbeheersing. Als lezer voel je vanaf de eerste bladzijde dat het een tragische strijd is. Het noodlot hangt zwaar boven het verhaal. Het gaat mis of het is alreeds mis gegaan. Begeerte, drift, veelal erotisch en soms ook homoseksueel getint, is sterker dan de burgerlijke moraal toestaat.

Een herlezing van
Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan viel mij ruim twintig jaar later niet mee. Niet dat de roman tegenvalt. Het is nog steeds een goed boek. Fraai geschreven, mooie setting en een goed verhaal. Maar de bijna existentiële betrokkenheid waarmee ik het als zeventienjarige las, alsof ik er levenskunst mee op het spoor was, ontbrak nu. Toen trof mij in Couperus de gelatenheid, het besef van noodlot, het tragische. Maar ik ben geen puber in de jaren tachtig meer, beïnvloed door de generatie die het fatalisme predikte in punk, ban- de- bomdemonstraties en kraakacties. Ik vond de overdaad aan melancholie van de hoofdpersoon nu zelfs vervelend. Couperus' fatalisme is te lucide, te decadent, te dandyachtig om werkelijk te boeien. Het is een onvruchtbare levenshouding, zoals veel hoofdfiguren van Couperus ook onvruchtbaar zijn. Niettemin, het blijft een mooi boek.
Van oude menschen draait om de 'crime passionel' van grootmamma Ottilie en meneer Takma. De beide minnaars, toen wonend in Indië, werden betrapt door Ottilie's man. Het was haar tweede man, want Ottilie leefde voor de liefde. Van haar eerste man was zij gescheiden. Takma en Ottilie doodden samen de man van Ottilie, voerden hem af naar de rivier en ontdeden zich daar van het lijk. De arts Roelofsz raakte in het complot betrokken en verklaarde dat de dode was omgekomen door verdrinking en niet door moord. Dit in ruil voor een seksuele gunst, want Ottilie was een begerenswaardige vrouw. Ondanks hardnekkige geruchten bleef de zaak onopgelost. Ottilie en Takma trouwden niet, maar de gemeenschappelijke moord lijkt nauwere banden te smeden dan een huwelijk.

Het boek beschrijft de nadagen van de stokoude Ottilie. Dagelijks wordt zij bezocht door Takma en dokter Roelofsz. Zij zijn allen in de negentig. Als een last hangt de moord drukkend boven de gesprekken, meestal onbenoemd. De inmiddels oud geworden kinderen en kleinkinderen bezoeken hun moeder en oma eveneens met grote regelmaat. Zij weten, vermoeden of voelen de last van de moord wel, maar spreken er nooit met haar over. In het slotdeel van de roman sterven Takma, Roelofsz en uiteindelijk ook Ottilie. Herbelevingen van de moord kwellen haar ziel. In haar doodsnood wordt zij bijgestaan door de katholiek geworden en 'wetende' dochter Therèse.

Als lezer schaak je op twee borden. Je voelt de geladenheid van stilte en schijncommunicatie tijdens de bezoekjes aan grootmoeder Ottilie. Tegelijkertijd word je ingewijd, doordat je toegang krijgt tot de gedachtewereld van daders en kinderen of kleinkinderen, tot het geheim dat deze familie met zich meedraagt. Je ziet hoe de moord doorwerkt in de afzonderlijke levens van Ottilie, Takma, Roelofsz, de kinderen en de kleinkinderen.

Door het verhaal 'van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan' heen weeft Couperus het verhaal van kleinzoon Lot. Hij gaat een verbintenis aan met Elly, niet wetend dat zij een halfnichtje van hem is. Beiden zijn niet heel jong meer en opgegroeid temidden van oude en stokoude mensen. Om hun huwelijk aan te kondigen bezoeken zij de grootouders en de ooms en tantes. Het maakt Lots angst om zich te binden alleen maar groter. Oog in oog met de last van het verleden bij al die oude mensen ontvalt hem bijna de levensmoed. Oud worden is wreed in zijn ogen, een gruwelijk levenslot. Aan het einde van de roman is zijn onthechting compleet: zijn vrouw is bij hem weg, met zijn goedkeuring, en hij schrijft slechts korte artikelen, want voor het grote werk, romans en studies, acht hij zichzelf te gering.

Het noodlot kleedt zich in deze roman in het gewaad van de ouderdom. Het levensverhaal, hartstochtelijk en gevaarlijk, zoals dat van Ottilie, of saai, esthetisch en nauwelijks zelf geschreven, zoals dat van Lot, drukt als een last. Of, zoals Ottilie junior in een moment van diepzinnige reflectie overweegt: 'Wat gaf het te willen leven, als men toch werd geleefd door dingen sterker dan jezelve, en die sluimerden in je bloed?'
(14).

De geleefde tijd is onherhaalbaar, onherstelbaar en, zolang je er zelf nog bent, onontkoombaar: knaging, weemoed en leed. Alleen als mensen sterven gaan de dingen voorbij. En dan nog slechts ten dele, want Couperus laat op een fraaie
manier zien hoe het kwaad van ouders als een vloek doorwerkt in het leven van kinderen en kleinkinderen. Oude mensen lijken sneller voorbij te gaan dan de dingen. Pas als die dingen echt voorbij gegaan zijn, als ze opgedolven moeten worden vanonder de toedekkende lagen van de tijd, zijn ze ongevaarlijk. Dan kun je er net als Lot leuke korte verhalen over schrijven en daarmee de last van het eigen leven draaglijk maken.

Een roman over schuld is het dus niet geworden. En daarmee past lezing ervan prima in de periode na de jaren tachtig, het tijdperkje van structuralisme (Foucault) en postmodernisme: een geschiedenisopvatting waarbij het subject zijn van God en mens ontkend wordt en de laatste als speelbal op de golven van de tijd wordt beschouwd. Een bepaalde verwantschap is er wel tussen naturalisme en structuralisme of postmodernisme.

Enig weerwerk tegen dit noodlotsdenken, waarbij schuld vooral een tragisch karakter krijgt, wordt in de roman van Couperus wel geboden. De moord blijft een moord. Hoezeer Couperus deze wandaad ook invoelbaar maakt
- als het om psychologiseren gaat, staat hij voor niets -, moord blijft ontzettend en verschrikkelijk. Hoe noodlottig de daad ook was, door het hele verhaal heen blijft het bloed roepen als het bloed van Abel. In het noodlottig universum doen daden van mensen er wel degelijk toe. Schuld klaagt aan. Minstens tot in het derde geslacht, zo lijkt Couperus te willen stellen.

Weerwerk biedt vooral Ottilie zelf. In een fraaie dialoog met Takma geeft zij er blijk van tragiek om te willen zetten in schuld en boetedoening:
 
- Ja. Ik geloof aan God, aan terug- zien. Aan leven hierna. Aan vergelding. [...] Neen, ik heb er nooit kalm over kunnen denken! In het begin... ben ik bang geweest voor de mensen; toen voor mijzelf - ik dacht gek te worden! Nu, nu het nadert... ben ik bang voor God. [...]
Ik wou, dat ik Rooms was. Ik heb zo lang er over gedacht, Rooms te worden. Therèse heeft wel gelijk gehad Rooms te worden... Ach, waarom zie ik haar nooit meer... Zou ik haar nog eens zien... Ik hoop het... ik hoop het... Als ik Rooms was geweest... had ik gebiecht...
- Daar is bij de Roomsen geen absolutie voor...
- Niet?? Ik dacht... ik dacht, dat een priester alles vergeven kon... de ziel zuiver maken, voor je sterft. De priester had me toch kunnen verlichten... me hoop kunnen geven? Onze godsdienst is koud. Ik heb daarover nooit kunnen praten, met een predikant... [...] Met een priester had ik er over kunnen praten. Hij had me boete opgelegd, mijn leven lang, mijn leven lang, en het had me verlicht. Nu ligt dat altijd hier, op mijn borst. En ik ben zo oud. Ik blijf er mee zitten. Ik lig er mee in bed. Ik kan er zelfs niet mee lopen, dwalen, me vergeten in beweging... (35-37)

Couperus benadrukt in zijn roman het lastkarakter van schuld. Ottilie gaat er gebukt onder. Prachtig laat Couperus zien dat hetzelfde geldt voor de 'wetende' kinderen: Harold en Therèse. Harold, die zijn moeder heeft zien zeulen met het lijk van zijn vader 'en begreep', heeft zijn hele leven gezwegen. Bij al zijn bezoekjes aan zijn moeder en Takma stond het schrikbeeld hem voor ogen, maar hij zweeg. Hij verkoos de moeder in de moordenaar van zijn vader lief te hebben. Maar die last is zwaar.

Twee andere kinderen ontlopen die last. Stefanie vermoedt, maar wil nadrukkelijk niet weten. Weten compromitteert, maakt verantwoordelijk. Veiligheid wordt gezocht in burgerlijke en calvinistische regelzucht. Anton is haar tegenpool. Hij wil ook niet weten, hoezeer hij ook vermoedt. Maar bij hem is het de lust tot nihilistische vrijheid. Anton heeft genoeg aan zijn eigen perversiteiten. Weten zou hier betekenen dat hij ook verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn eigen seksuele wangedrag.

Wanneer schuld niet beleden wordt door de dader, of niet aan de kaak wordt gesteld door hen die weten dan wel vermoeden, huist zij noodgedwongen in de stilte en de eenzaamheid. Wat Couperus laat zien, is dat zij juist daardoor verlammend aanwezig is in ieders leven en onvruchtbaar makend tussen personen in staat. In stilte gedragen schuld is niet goed voor het ego. Je verhoudt je veel te veel tot jezelf in plaats van tot degene die je kwaad gedaan hebt. Het gevolg is zelfmedelijden en het prettige gevoel een geweten te hebben.

Couperus deed mij eens te meer beseffen dat schuld een relationeel begrip is en daarom het isolement niet verdraagt. Degene die dit isolement doorbreekt, is Therèse, op het eerste gezicht juist de meest eenzame. Zij vertelt het aan God en giet de woorden in de eeuwenoude vormen van de katholieke kerk. Zij trekt zich terug in een klooster en doet boete zonder ophouden, biddend voor de zielen van de familie. God deelgenoot maken van het geheim van een moord, en bij hem boete doen en vragen om vergeving, heeft iets gewaagds. Je doorbreekt je autonomie en legt je lot in zijn handen. Het heeft Ottilie ervan weerhouden haar kinderen te vertellen dat zij in een vlaag van schrik en seksueel verlangen hun vader vermoord heeft. Hoe vraag je kinderen, van wie je het oordeel vreest, om vergeving? Kun je dan nog moeder zijn, of kind? Onvruchtbaar zwijgen lijkt haar verkieslijker. Ook al woekert de schuld dan onbekommerd door.

Therèse, die als enige de schuld bespreekbaar heeft gemaakt, zij het bij God, is degene die ook als enige aan het sterfbed van Ottilie rust kan brengen. Moeder en dochter zien daar de waarheid van hun leven onder ogen. De last van de leugen leggen ze voorgoed af.
 
Louis Couperus,Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan, Veen, Amsterdam 1906,19689.

 

Reacties

Zwijgen

Er zijn nog geen reacties geplaatst.