Yord
Yord
Yord Literatuur
Boekverslag maken? Informatie nodig voor je literatuurdossier? Yord biedt alles wat je wil weten over literatuur. Talloze recensies, informatie over dichters, schrijvers, poëzie en proza. Zoek op auteur of in een van de dossiers.
 
 
 
Zoeken op auteur
 
Dossiers
 
 
 
arrowYord literatuur
Literair lexicon

Literaire teksten

Links

Zoeken
Literatuur inzicht
 

Redacteur: Ds. P. den Ouden

Polemist en pastor

De ”glorificatio Dei”, de lofprijzing Gods, is wel de edelste trek van het calvinisme genoemd. Vanuit die gedachte mag Revius een van de edelste calvinisten genoemd worden, want aan de lofprijzing Gods heeft hij zijn leven en talenten dienstbaar gemaakt. Het is geen toevalligheid dat hij zijn ”Over-Ysselsche sangen en dichten” inzet met het gedicht ”Lof Gods”, en dat hij het nieuwtestamentische deel opent met ”Lof Jesu Christi”.

Revius beschouwde zijn predikantschap als zijn eerste en voornaamste roeping, het dichten beschouwde hij als een aardige ontspanning. Als hij in Leiden regent wordt, is het met het gedichten schrijven gedaan: „’t Komt hier ook niet te pas, alwaar van and’re zaken/ En beter, ik mijn werk verplichtet ben te maken.”

Hij heeft belangrijkere zaken aan zijn hoofd: de theologie! Het is de ironie der geschiedenis dat hij vooral bekend is geworden als dichter. Daarom is het een daad van rechtvaardigheid hem ook als theoloog te gedenken. Slechts een enkel aspect kunnen we belichten.

Scherp
De theoloog Revius wordt vaak afgeschilderd als een ’diehard’ en inderdaad, als de ere Gods werd aangetast, kon hij bars en scherp zijn. Uytenboogaert noemde zijn strijdschriften „zo bitter als roet, zo scherp als een vlijm of scheermes.” En over Rome slingert hij zijn banvloek uit:

Ook zal men u, o Rome, nog verbranden,
Gelukkig ook men roemen zal de handen
Die wreken ’t kwaad dat gij ons hebt gedaan.

Zijn remonstrantse collega Matthisius heeft het ook geweten. Revius, een jonge predikant van 28 jaar, stond nog maar nauwelijks in Deventer of hij heeft alles in het werk gesteld om hem de stad uit te werken, en met succes. Ook de filosofie van Descartes heeft hij te vuur en te zwaard bestreden. Zo ontstaat het beeld van een onbuigzame, steile calvinist, met inquisitoriale trekken. En inderdaad, zo was hij. Maar hij streed niet omdat híj aangevallen werd, maar omdat de majesteit Gods werd aangerand.


Revius ontpopt zich als predikant in Deventer als een geharnaste strijder voor de waarheid, maar tegelijk als een meedogend herder, die naast zijn ’schapen’ staat. Op de foto de Lebuïnuskerk in Deventer, waar de dichter op de kansel stond. Foto RD, Henk Visscher

Preken


Er is echter ook een andere Revius. Als iemand tot zijn levensdevies kiest: ”Vincat Amor Christi”, ”dat de liefde van Christus overwinne”, laat hij toch een beetje in zijn hart kijken. En zo heeft hij ook gehandeld. Zonder aarzelen handhaaft hij de tucht in zijn gemeente, maar met barmhartigheid. De zondaar die berouwvol van het zondepad terugkeert, is voor hem zijn broeder, die niet geslagen, maar juist verbonden en vertroost moet worden:

Mijn broeder ligt verwond, bedroevet bovenmate,
Twee zijn er die terstond zich bij hem vinden laten:
De satan, die hem geern’ voort geven zou de rest,
En Christus, Die om hem te redden doet Zijn best.
Sta ik de vijand bij, en sla hem wond’ op wonde?
Of doe ik als mijn Heer, en trek hem uit de zonde?
Het laatste dunkt mij best. Ik neem, ik neem hem aanDie Christus in Zijn rijk is willig te ontvaên.

Als een herder zo meedogend naast zijn schapen staat, maakt dat nieuwsgierig naar hoe hij heeft gepreekt. Helaas zijn er van Revius geen preken bewaard gebleven. Uiteraard was hij overtuigd gereformeerd, maar dat zegt verder weinig. Preekte hij vooral exegetisch en leerstellig, zoals in die tijd gebruikelijk was? Als bekwaam theoloog mag van hem niet anders verwacht worden. Maar de contouren van zijn prediking zijn nog iets scherper te krijgen. Smit schrijft in zijn proefschrift meermalen dat hij in Revius’ poëzie iets proeft van mystiek. Een ander beluistert in zijn gedichten „een tedere toon, waarin nog iets over is van de naïeve vroomheid van de Deventerse broeders des Gemenen Levens.”

Spiritualiteit
Wat ook niet over het hoofd gezien mag worden is dat Revius juist van het Hooglied een uitvoerige berijming heeft gemaakt, het boek van het innige christendom. Daar komt bij dat hij daarbij royaal gebruik heeft gemaakt van de verklaring van Udemans, een van de voormannen van de Nadere Reformatie.

Verder is er in zijn werk een preluderen op de spiritualiteit van die beweging in zijn aandacht voor het werk van de Heilige Geest in de gelovige, de strijd tussen vlees en geest en de aanvechtingen. Te denken valt aan het sonnet ”Aenvechtinge”, waarin hij in de laatste terzine het ”syllogismus practicus” toepast. In het donker van het godsgemis wordt de ”ik” zich ervan bewust dat reeds de smart om de godverlatenheid en het verlangen naar meer licht tekenen zijn dat God met hem en in hem bezig is. Het thema is helemaal in de geest van de Nadere Reformatie behandeld:

Ik heb om Uw genade, o grote God, gebeden,
Maar och! Gij hebt ze mij in mijnen druk ontzeid.
Ik heb geroepen om Uw milde goedigheid,
Maar heb ze niet gevoeld in mijn ellendigheden.
Ik heb om Uwe liefd’ geworsteld en gestreden,
Maar hebbe tevergeefs daar lange naar gebeid.
Ick hebbe dik’ gezocht Uw mededogendheid,
Maar en verneem ze niet tot op de dag van heden.
Hoe licht kon Uw gena bekeren mijn gemoed.
Uw liefd’ en goedigheid mij trekken tot het goed’.
Uw mededogendheid van ’t kwade mij bevrijden.
Helaas! wat zeg ik Heer! dewijl mijn herte tracht
Naar Uwe zoetigheid, zo heeft daarin gewracht
Uw goedheid, Uw gena, Uw liefd’, Uw medelijden.

Als deze zaken zo prominent aanwezig zijn, kan het niet anders of het moet op zijn prediking zijn weerslag hebben gehad. Het gaat te ver om Revius als een vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie te beschouwen, maar Strengholt signaleert wel een wezenlijke verwantschap. Wellicht is het nog juister om hem katholiek te noemen, want de vroomheid is de zuiverste uitdrukking van de katholiciteit.

Zo staat Revius voor ons: de geharnaste, strijdbare theoloog. Maar innerlijk bijna als een kind, zo zuiver overgegeven en vol aanbidding. Naar God was alle schoonheid van zijn ziel gericht, voor de wereld bleef slechts de rugzijde over:

Als mijn gemoed Hem biddet met aandacht,
Als mijne tong Hem prijzet dag en nacht,
Als ik Hem dien als Zijn gehoorzaam kind,
De wereld boos mij spottet en belacht,
Maar wederom ik harer niet en acht’,
Al haren trots die schrijf ik in de wind.
Hoe Hij het voeget
Mij wel genoeget.
Hij maket al
Naar Zijn geval.
Hij is de beste,
D’eerst’ en de leste
Die ik bemin en minnen zal.