De dorsmachine deed de ruggen krommen
het zweet werd uit de poriën geperst
zo wrokkig gaf de aarde zich gewonnen
misgunde ze de mens haver en gerst
de zon stak en de koppen glommen
de adem schroeide in de borst
wie heeft zich ooit om stro of kaf bekommerd
maar wee u, als de korrel wordt vermorst
op aarde zal het oogstlied niet verstommen
zie, hoe op Staphorst rogge wordt gedorst -
en daar is drank in wijde kommen
en pannenkoek met stroop en spek en worst.
Koos Geerds
Vragen
Klank en rijm
1. De korte o-klank valt op. Noteer de woorden met een o-klank.
2. Hoe heet dit rijmverschijnsel?
3. Verklaar het gebruik van de o-klank.
4. Welke alliteratie zie je in regel 2? Welke functie heeft deze alliteratie?
5. Ga alle laatste woorden van de regels na. Welk rijm zie je?
Stijlfiguren
6. Welke stijlfiguur zie je in regel 7?
7. Welke stijlfiguur gebruikt de dichter in regel 7 en 8 samen? Let op het signaalwoord.
8. Van welke stijffiguur maakt de dichter gebruik in de laatste regel?
Beeldspraak
9. Benoem de beeldspraak in regel 3-4.
Woordgebruik
10. In de tweede helft van het gedicht vallen enkele woorden op die aan de Bijbel herinneren. Welke zijn dat?
11. Is het gebruik van deze Bijbelse woorden zinvol in dit gedicht? Licht je antwoord toe.
12. In regel 3 en 9 staat het woord aarde. Welk verschil in betekenis zie je?
Inhoud
13. Vanaf regel 9 is er een wending in het gedicht. Hoe geeft de dichter die wending aan?
14. Welke wending is het?