Yord
Yord
Yord Literatuur
Boekverslag maken? Informatie nodig voor je literatuurdossier? Yord biedt alles wat je wil weten over literatuur. Talloze recensies, informatie over dichters, schrijvers, poëzie en proza. Zoek op auteur of in een van de dossiers.
 
 
 
Zoeken op auteur
 
Dossiers
 
 
 
arrowYord literatuur
Literair lexicon

Literaire teksten

Links

Zoeken
Literatuur inzicht
 

De paradox van een filosofie

De eerste afzonderlijke studies over "De ontdekking van de hemel" zijn in 1995 verschenen. Frans de Rover -gepromoveerd op Mulisch en nu hoogleraar in Berlijn- publiceerde zijn "Harry Mulisch ontdekt" en Peter Henk Steenhuis schreef een boek over schriftuurlijke verwijzingen in genoemde roman onder de titel "Alles is altijd uit de Bijbel". Eind 1994 werd aan de VU zelfs een compleet symposium aan de roman gewijd, waarvan de lezingen werden uitgegeven onder de titel "Mulisch en de wetenschap".

De Rover begint met een algemene typering van schrijver en werk, waarbij hij laat zien dat Mulisch' al eerder gepubliceerde theorieën nu in romanvorm zijn verschenen. Kern daarvan is dat de mens tot de ondergang gedoemd is, omdat hij zich heeft uitgeleverd aan de techniek. Machten die vroeger aan God werden toegeschreven, heeft de mens nu 'in eigen beheer'. Diezelfde mens dreigt nu echter wel de zeggenschap over de door hemzelf ontwikkelde techniek te verliezen en daardoor te gronde te gaan.

Totaalroman
Volgens De Rover komen in "De ontdekking" "alle Mulischiaanse mythische, mythologische, filosofische, theologische en kosmologische motieven", verbonden met allerlei autobiografische feiten, bij elkaar in één totaalroman.

Vervolgens analyseert De Rover omstandig (in "De verbeelding") de geschiedenis zoals Mulisch die in zijn roman beschrijft. Hij laat zien hoe Mulisch een spel speelt met fictie en realiteit, met verbeelding en autobiografie. Zo geeft hij in de vriendschap tussen Max Delius en Onno Quist een pendant van zijn eigen vriendschap met de in 1988 overleden schaker Hein Donner. Max wordt getypeerd met "een smal, fanatiek gezicht, dat deed denken aan de Egyptische ibis religiosa" (zie het zelfportret dat Mulisch ooit tekende voor De Revisor). Hij past daarbij wel een omkeringstechniek toe: Onno is taalkundige en Max sterrenkundige. Mulisch noemt zijn boek ook een hommage, een soort standbeeld voor Donner. Overigens is het mij niet duidelijk waarom De Rover dergelijke achtergronden al vertelt in dít hoofdstuk en niet in het volgende, "De werkelijkheid". Het gevolg is nu soms een doublure (vgl. blz. 33 en 104). Onder "De idee" wordt Mulisch' thematiek behandeld, onder andere de problematiek rond schuld en verantwoordelijkheid (ook al aanwezig in "De aanslag"). Over de menselijke verantwoordelijkheid is Mulisch verre van optimistisch. Als Max Delius Auschwitz bezoekt en naar Birkenau loopt, "het altaar, de eigenlijke krachtcentrale van het fascisme", overmant hem de volgende gedachte:

"Bestond ergens op aarde een plek, waar in dezelfde mate het goede was verricht als hier het kwade? Als de hel dit filiaal op aarde had, waar was dat dan van de hemel? Zo'n plek bestond niet, want alleen de hel bestond en niet de hemel". Op de vraag of Mulisch in De Rovers visie een pessimist is, kom ik nog terug.

Mulisch en de Bijbel
Trouw-redacteur Steenhuis analyseerde "De ontdekking" op schriftuurlijke verwijzingen, waarmee het boek doorspekt is. Een voorbeeld van zo'n 'intertekstueel' gegeven, is de raaf die tweemaal opduikt. Hij heet Edgar, een verwijzing naar Edgar Allan Poe met zijn gedicht "The raven". Die raaf legt echter evenzeer een relatie met Elia, gevoed door de raven en ten hemel gevaren (zoals in de roman ook met Quinten gebeurt).

Steenhuis maakt duidelijk dat de bijbelse verwijzingen een cruciale rol spelen op alle niveaus: in afkomst, doen en laten van de personages, de compositie en de filosofie van de roman. Op overtuigende wijze legt hij een groot aantal lijnen bloot en biedt zo een waardevolle deelstudie.

Wat de compositie betreft typeert Steenhuis het boek als een dubbele "queeste": "Quintens zoektocht naar het Testimonium en die naar de Burcht uit Quintens droom. Aan het slot blijkt het feitelijk om dezelfde queeste te gaan. Deze hele geschiedenis deed mij sterk denken aan de middeleeuwse "Graalqueeste": ook een mysterieuze zoektocht naar een sacraal voorwerp, te vinden in een Burcht, door een volmaakt mens, gevolgd door een visionaire beschrijving van zijn verdwijnen van de aarde. Voor zover mij bekend heeft niemand nog op deze overeenkomst gewezen".

DNA
Uitvoerig staat Steenhuis stil bij de rol die het ontcijferen van het DNA bij Mulisch speelt. Deze ziet het als het sluitstuk van de technologische ontwikkeling. Juist in het licht van recente ontwikkelingen rond het klonen is het veelzeggend een engel het volgende te horen zeggen: "Binnen afzienbare tijd zullen zij (= de mensen, PS) zich meester gemaakt hebben van ons absolute voorrecht: het creëren van leven, als tegenstuk van het massale uitroeien ervan (...) Op een dag zullen zij mensen fabriceren naar hun eigen aangezicht en dat is nu vaak al zo leeg als dat van poppen; in plaats van een gelaatsuitdrukking hebben zij dingen zoals auto's".

De paradox in Mulisch' filosofie is dat de mens tot mens wordt door datgene wat hem als mens vernietigt. De geschiedenis van zijn ontwikkeling is tegelijk de geschiedenis van zijn ondergang in een technologische hel.

Steenhuis laat zien dat Quinten zelf van die paradox een levend voorbeeld is. Na het ongeluk, waardoor zijn zwangere moeder Ada in coma is geraakt, kan door de technologische ontwikkeling Quinten nog maandenlang in haar verder groeien en via de keizersnede ter wereld worden gebracht. "Zij was teruggebracht tot een oven, die niet van dezelfde aard was als het brood dat er in rees". Steenhuis typeert Quinten Quist als een product van goddelijke genetische manipulatie, niet eens een echt mens. Hij is er alleen maar ambtshalve - QQ, qualitate qua.

In deze studie trof ik enkele slordigheden aan: de raven brengen Elia voedsel aan de beek Krith, niet in de woestijn (7); op blz. 19 ontbreekt de hoofdstukaanduiding (2 Kon. 25); de Henoch die met Quinten wordt vergeleken, is niet de zoon van Kaïn (59), maar de nakomeling van Seth, een fout die gevolgen heeft voor een (deel)interpretatie; in de Bibliografie staat de Bijbel nogal merkwaardig vermeld, namelijk als boek van W. van Bekkum, Leeuwarden 1921; de auteur van de bekende Concordantie heet niet Tromius.

N.a.v. "Harry Mulisch ontdekt. Over De ontdekking van de hemel", door Frans de Rover; uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 1995; ISBN 90 234 3467 6; 165 blz.

"Alles is altijd uit de bijbel. Schriftuurlijke verwijzingen in De ontdekking van de hemel" door Peter Henk Steenhuis; uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 1995; 91 blz.