Yord
Yord
Yord Literatuur
Boekverslag maken? Informatie nodig voor je literatuurdossier? Yord biedt alles wat je wil weten over literatuur. Talloze recensies, informatie over dichters, schrijvers, poëzie en proza. Zoek op auteur of in een van de dossiers.
 
 
 
Zoeken op auteur
 
Dossiers
 
 
 
arrowYord literatuur
Literair lexicon

Literaire teksten

Links

Zoeken
Literatuur inzicht
 

Redacteur: Dr. A.Th. van Deursen

Het Wilhelmus in discussie

De geschiedenis vertelt ons dat 300 jaar geleden in het zuiden van Frankrijk een opstand heeft gewoed. Koning Lodewijk XIV had bevolen dat al zijn onderdanen rooms-katholiek moesten zijn, net als hij. Protestanten werden onder zware druk gezet en gedwongen hun geloof af te zweren. Duizenden zijn toen gevlucht, anderen kwamen terecht in gevangenissen en op de galeien. 

In één landstreek brak opstand uit. Het was een bij voorbaat verloren strijd: een paar honderd boeren tegen het sterkste leger van Europa. Die boeren hebben het wel lang volgehouden. Ze kenden het terrein, ze werden gesteund door de bevolking en ze wilden vechten voor het hoogste goed dat mensen gegeven is. Ze zagen zichzelf als strijders voor het Evangelie, en ze putten hun inspiratie vooral uit de psalmen.
 
Franse soldaten die tegen hen gevochten hadden, vertelden later hoe ze op mars door een dal plotseling aan alle kanten vanaf de bergen hoorden zingen: "Que Dieu se montre seulement" - De Heer zal opstaan tot de strijd. Het was om koud van te worden, vertelden ze, als het geluid van die psalm op eenmaal het hele dal vervulde. 

Zo beleefden die Franse soldaten de kracht van een lied. Op die wijze is het vaker gegaan in tijden van oorlog en verzet. Soms was het een bestaand lied, zoals voor deze protestantse opstandelingen Psalm 68. Soms ook was het apart voor de gelegenheid vervaardigd. Dat is het geval met het Wilhelmus. Het is gemaakt als een lied dat mensen moest inspireren, een lied om er de strijd mee in te gaan en met Gods hulp vol te houden tot het einde. 

Aan dat doel heeft het Wilhelmus ook beantwoord. Vanaf de zestiende eeuw is het zo sterk samengegroeid met het leven van de natie dat het Wilhelmus vanzelf tot het nationale volkslied werd, lang voordat het pas in 1932 ook officieel die status verwierf. 

Geheimzinnigheid
Weinig nationale hymnen komen het Wilhelmus nabij in kwaliteit en lengte van traditie. Maar zeker geen enkel ander volkslied is met zo veel geheimzinnigheid omringd. Waar werd het geschreven, met welke bedoeling, in welk jaar, en vooral door welke dichter? Velen hebben op die vragen antwoord gezocht, zonder dat de deskundigen tot een eenstemmig oordeel zijn gekomen, en eenvoudig liggen de zaken ook niet. 

Wie over het Wilhelmus wil meepraten, moet een kenner zijn van de zestiende-eeuwse letterkunde, hij moet goed thuis zijn in de politieke geschiedenis, zeker het nodige weten over historisch staatsrecht en politieke theorie, en het liefst ook van theologie uit de reformatietijd. En zelfs als iemand over al deze kwaliteiten beschikt, blijven de onzekerheden rondom het Wilhelmus zo talrijk en zo groot dat haast geen enkele conclusie het stadium van de voorlopigheid voorbij komt. 

Niettemin blijft het onderwerp de geesten bezighouden, en dus duurt de discussie over het Wilhelmus nog altijd voort. Vooral de laatste jaren hebben een flinke oogst opgeleverd. A. Maljaars heeft een dissertatie geschreven om te bewijzen dat Marnix niet de dichter van ons volkslied kon zijn. Coen Free kwam met een eigen kandidaat in de persoon van de Antwerpse rederijker Willem van Haecht. Bert Hofman ten slotte ontwierp een nieuwe theorie, die ons helemaal van voren af aan wil laten beginnen. In zijn zojuist verschenen "Het lied van Oranje en Nederland" geeft hij zijn denkbeelden nog eens vorm, met flink uitgebreide motivering en bewijsvoering. Dit is, mogen we aannemen, de definitieve presentatie van de Hofman-these. Hier worden de zaken zo veelzijdig en breedvoerig belicht dat er geen feiten of argumenten meer vallen toe te voegen. 

Andere volgorde
Kort samengevat komt de Hofman-these hierop neer. Wat wij het Wilhelmus noemen is niet een oorspronkelijke schepping. Het is de bewerking van een ouder lied dat enkele jaren eerder was geschreven. Dat oudere lied noemt Hofman tekst A, en het daaruit ontstane Wilhelmus tekst B. Het grote nieuwe feit dat Hofman aan het licht gebracht denkt te hebben, is het bestaan van tekst A. Het gaat daarbij om een oud manuscript dat geen vijftien, doch slechts veertien coupletten telt. Zou er één vergeten zijn bij het overschrijven? Dat is de meest natuurlijke verklaring, maar ze laat een ander probleem bestaan. De volgorde van de veertien is namelijk een heel andere dan die van de vijftien. 

En er is nog iets aan de hand met A: zoals ieder weet is het Wilhelmus een naamdicht. De vijftien beginletters van de strofen vormen samen de naam Willem van Nassov. Met de veertien van tekst A is dat niet het geval, ook al zou je ze plaatsen in de voor ons normale volgorde. Het loopt al fout in de tweede strofe, die begint met de woorden: "Al in Gods vreese te leven." En als we dan de hele tekst van A eens doornemen, merken we al snel dat er veel meer verschillen zijn. We kunnen het laten bij één voorbeeld, dat voor iedereen direct duidelijk is: 

Een Prince van Orangien
Ben ick vrij onbevreest,
Den Edelen Coninck van Spangien
Heb ick altijt gheeert. 

Er lijken dan twee mogelijkheden te bestaan. De ene is dat de man of vrouw die A op papier zette enkel met behulp van het geheugen heeft gewerkt, en daardoor niet alleen allerlei fouten maakte, maar ook de volgorde van de coupletten dooreenhaspelde. De andere is dat tekst A een oorspronkelijk gedicht is, dat in deze vorm werd neergeschreven, met de veertien strofen in die volgorde. 

Als we dat uitgangspunt kiezen, komt alles plotseling in een heel ander licht te staan. Wie A achter elkaar leest, merkt dat het een logisch opgeb ouwd en samenhangend geheel vormt. De coupletten zijn op een meer zinvolle manier aaneengeschakeld dan in het eigenlijke Wilhelmus, zodat men al lezende het gevoel krijgt dat dit inderdaad de oorspronkelijke schikking moet zijn. Tegelijk valt ook op dat A als dichtwerk in kwaliteit duidelijk achter staat bij B, dus bij ons Wilhelmus. 

Extra couplet
Hofman stelt zich dan de gang van zaken zo voor. Tekst A is de oudste van de twee, geschreven aan het einde van 1568 of het begin van 1569. Tekst B is een latere bewerking. De vervaardiger van B is op de gedachte gekomen er een naamdicht van te maken. Daartoe moest hij één extra couplet zelf schrijven -dat is wat wij het vijfde noemen- en de beginregels van een aantal andere zo wijzigen dat de combinatie "Willem van Nassov" ontstond. Verder liep hij de hele tekst nog eens door om het dichterlijk gebrekkige product A te veranderen in het poëtisch veel geslaagder product B. Die bewerking heeft in de zomer van 1572 plaatsgevonden. Daarmee was dan het huidige Wilhelmus geboren. 

Om het verhaal compleet te maken vult Hofman ook nog de namen in. De dichter van tekst A was Oranjes legerpredikant Adriaan Saravia, die ook door vroegere onderzoekers wel als kandidaat-dichter is genoemd, met name door W. J. C. Buitendijk. De tweede bewerker was naar alle waarschijnlijkheid de man die door velen altijd al voor de auteur van het Wilhelmus is gehouden, Filips van Marnix, heer van Sint Aldegonde. Daarmee is het betoog rond en zijn alle vragen rondom het Wilhelmus opgelost. 

Binnen het bestek van een boekbespreking kunnen Hofmans argumenten niet uitvoerig aan bod komen. Het nadere onderzoek moet ik dus aan de belangstellende lezer overlaten. Maar het leek mij eerlijker tegenover de auteur vooral zijn eigen gedachtegang beknopt weer te geven, in plaats van de ruimte geheel te vullen met kritische kanttekeningen. Die vallen zeker te maken. Op Hofmans eerste boek over het Wilhelmus is door de vakgenoten in het algemeen afwijzend gereageerd. Zij vonden dat Hofman de betekenis van tekst A veel te hoog aansloeg. Zij kiezen liever voor de andere oplossing, dat we dus tekst A te danken hebben aan iemand die uit het hoofd het Wilhelmus opschreef en zich daarbij nogal eens vergiste. 

Christelijke berusting
Die meer platvloerse verklaring heeft haar bezwaren, zoals Hofman in zijn boek inderdaad wel duidelijk maakt. Maar de zijne vergt natuurlijk ook wel het nodige aan goed geloof. Voor mij haast onoverkomelijk is Hofmans onderstelling dat het definitieve Wilhelmus zou zijn ontstaan in de zomer van 1572, dus pas na de verrassing van Den Briel op de eerste april, die glorieuze ommekeer in de opstand tegen Spanje. 

De gebeurtenissen van dat jaar konden zeker een dichter inspireren. Maar zou hij dan teruggrijpen op een lied dat zozeer een geest ademt van christelijke berusting? Dat lijkt zo weinig te passen bij de grote verwachtingen die in 1572 waren gewekt, dat naar het eenstemmig oordeel van de gezamenlijke kenners het Wilhelmus na de val van Den Briel niet meer op deze manier geschreven had kunnen worden. 

We kunnen dus, geloof ik, niet zeggen dat Hofman het pleit gewonnen heeft. In een discussie over de vraagstukken van de geschiedwetenschap is dat trouwens zelden het geval. Zo'n discussie ontstaat juist omdat er weinig harde feiten beschikbaar zijn en niemand meer kan doen dan de aannemelijkheid van zijn veronderstellingen ter toets stellen. Dat heeft Hofman nu voor zijn theorie gedaan, ook als ze niet het laatste woord zal blijven. 

N.a.v. "Het lied van Oranje en Nederland. Nieuw licht op het Wilhelmus en zijn dichters", door dr. E. Hofman; uitg. Kok, Kampen, 2003; ISBN 90 435 0587 0; 317 blz.